
In een eerder verschenen interview op Vetlife vertelde collega-dierenarts Michiel Hoynck van Papendrecht al over de impact van wolven op onze dagelijkse praktijk. Hij pleitte toen voor een doordachte, diervriendelijke benadering van wolvenbeheer – een oproep die goed aansluit bij de recente zienswijze van de KNMvD. Hieronder zetten we de aanbevelingen van de KNMvD op een rij.
Feiten en cijfers: groeiende populatie, toenemende schade
Volgens cijfers van BIJ12 leven er momenteel meer dan 100 wolven in Nederland, verdeeld over elf roedels. Het aantal incidenten waarbij gehouden dieren betrokken zijn, neemt toe. Schapen zijn het vaakst slachtoffer, maar ook runderen en paardachtigen worden geregeld aangevallen. Sinds 2015 zijn er bijna 6.000 schapen gedood. Ook zijn er meldingen van confrontaties waarbij mensen of honden betrokken waren.
Wettelijk kader: strikte bescherming
De wolf is Europees beschermd onder het verdrag van Bern en de Habitatrichtlijn. Dat betekent dat het doden, vangen of verstoren van wolven verboden is. In Nederland is dit vastgelegd in de Omgevingswet. Pas sinds maart 2025 is de beschermingsstatus iets versoepeld, waardoor lidstaten meer ruimte krijgen om maatregelen te nemen. Toch blijft het juridische kader terughoudend: ingrijpen mag alleen onder strikte voorwaarden.
In de praktijk
Dierenartsen worden betrokken bij de directe gevolgen van wolvenaanvallen, zoals de behandeling of euthanasie van gewonde dieren. Daarnaast zien zij indirecte effecten op diergezondheid en welzijn, zoals stress in de kudde, verminderde vruchtbaarheid en emotionele impact bij de dierhouder. In sommige gevallen wordt ook gevraagd om DNA-monsters af te nemen, voor onderzoek richting een dader.
Zienswijze van de KNMvD
De KNMvD erkent de ecologische waarde van de wolf, maar vindt dat dit niet los gezien kan worden van de schade die het dier veroorzaakt aan gehouden dieren. Wolfwerende maatregelen zijn belangrijk, maar hebben hun beperkingen. Om te voorkomen dat de situatie verder escaleert én om de wolf een duurzame plek in ons ecosysteem te bieden, is het volgens de KNMvD nodig om op korte termijn aanvullende stappen te zetten.
De oproep tot monitoring – bijvoorbeeld via zenderen, zoals ook door Michiel Hoynck van Papendrecht is bepleit – wordt in de zienswijze expliciet genoemd als eerste stap richting proactief beleid.
Om die reden doet de KNMvD de volgende aanbevelingen aan landelijke en provinciale overheden:
- Implementeer een monitoringsprogramma. Door wolven te zenderen en te volgen kan meer inzicht worden verkregen in hun gedrag en bewegingen.
- Versterk de samenwerking met buurlanden. Door de wolvenpopulatie samen met België en Duitsland te beheren, ontstaat een meer geïntegreerd beleid.
- Optimaliseer preventieve maatregelen. Investeer in onderzoek naar effectiviteit van wolfwerende middelen en kijk ook naar de impact op het welzijn van dieren.
- Pas gericht beheer toe. Kies voor gerichte maatregelen bij roedels of individuen die herhaaldelijk schade veroorzaken, in plaats van algemeen afschot.
Als we in Nederland op een werkbare manier met de aanwezigheid van wolven willen omgaan, dan is het belangrijk dat er breder wordt gekeken dan alleen naar ecologie of schade. De KNMvD benadrukt dat een goed wolvenbeleid alleen kans van slagen heeft als ook andere betrokken partijen – zoals boeren, natuurorganisaties, overheden en wij dierenartsen – worden meegenomen in het proces. Daar hoort ook bij dat er voldoende budget beschikbaar komt om maatregelen daadwerkelijk uit te voeren. Alleen dan ontstaat er draagvlak voor keuzes die niet alleen wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar ook praktisch uitvoerbaar en maatschappelijk aanvaardbaar.


